Interview in Trouw

Op dinsdag 10 oktober publiceerde Trouw een interview met Franca Treur. Lees het interview hier.

‘Schrijven is een religieuze zaak’

Met ‘Hoor nu mijn stem’ keert Franca Treur terug naar de wereld van het streng gereformeerde geloof. ‘Kennelijk had ik het onderwerp nog niet uitbehandeld.’

Op het omslag van de nieuwe roman van Franca Treur staat een roodborstje dat met gespreide vleugels voorover buigt en water drinkt. Door de weerspiegeling van het vogeltje in het water, zie je het diertje nogmaals, maar dan op zijn kop. De afbeelding is last-minute gekozen, maar Treur is tevreden: “Het lijkt alsof de vogel tegen zichzelf vecht en dat doet Ina in het verhaal ook.”

Die Ina in het verhaal verliest als peuter haar ouders en groeit daarom op bij haar opa en zijn twee alleenstaande zussen, tante Sjaan en tante Ma. Ze houden er een streng gereformeerde levensbeschouwing op na, en wat de jonge Ina wil, is vooral vergeving van haar zonden.

Daar doorheen loopt het verhaal van Gina, zo ongeveer de beste radio-interviewer van Nederland. Vindt ze zelf. Toch wordt ze door Hilversum gepasseerd. En dan verliest ze ook nog haar geliefde.

Ze zou in lethargie kunnen vervallen, maar in de plaats daarvan moet ze als mantelzorger aan de slag.

Ja. Ze is afgestudeerd in de psychologie, maar het recept tegen een depressie blijkt gewoon de boerenidee: Van fysiek werk knapt een mens op.

Je schetst het leven van vrouwen waar je doorgaans niet zo veel van hoort. Waarmee je, na het succesvolle ‘Dorsvloer vol confetti’ weer terug bent bij het geloof. Hoe dat zo?

“Er zat geen groot plan achter. Voor Vrij Nederland schreef ik een kort verhaal over een domineesvrouw die een refo-meisje helpt door haar familie ervan te overtuigen dat studie niet meteen betekent dat je van God los raakt. Dat verhaal kwam maar niet af, dus leverde ik iets anders in. Daarna wilde ik toch eerst met dit verhaal verder omdat ik het zo’n mooi contra-intuïtief gegeven vond. Ik dacht: Dan wordt het maar een novelle. Nu zijn er 350 pagina’s.

Dat het geloof terug is als thema betekent kennelijk dat ik het onderwerp toch nog niet had uitbehandeld. Want dat dacht ik soms, dat ik er wel klaar mee was. Maar je kunt dat niet forceren, het laat zich niet zomaar aan de kant schuiven. Er is nog veel over uit te zoeken, en dat doe ik het liefst via een personage waar ik de macht over voer. Niet een kerkenraad maar ík heb het gezag. Eigenlijk heel emanciperend.”

Dat is ook eigenlijk de rode draad van het boek, toch? Emancipatie.

“Zeker. Ina groeit op in een wereld waar vrouwen niet echt meetellen. Alleen tante Ma is een uitzondering, zij staat op een heilig voetstuk en houdt dat ook vol. Al lijkt me dat heel eenzaam. Je kunt nooit laten zien dat je twijfelt. Dan val je om.”

“Ina emancipeert zich tot Gina, een radio-interviewer. Ze kan zichzelf door de ether laten klinken, zoals Gods stem in de oude tijden uit de hemel klonk, maar tegelijkertijd is haar rol een dienstbare. Zelf zegt ze dat ze via anderen zichzelf leert kennen. Ze ziet het leven van haar gasten als een commentaar op haar eigen leven.

Dat dienstbare tegenover die hang naar zelfontplooiing vind ik een mooie spagaat. Het is precies de spagaat van de kleine Ina: Die wil van alles, maar ze mag zichzelf niet op de voorgrond stellen. Het mag alleen om God gaan.”

Wilde je met deze roman op de bres springen voor reformatorische vrouwen?

“Ik had niet zo’n duidelijke reden waarom ik dit boek schreef. Ik vind ook niet per se dat een schrijver een taak heeft. Er ontstaat al schrijvend een verhaal. Je doet verslag van de gesteldheid van de mens, wat hij denkt en wat hij doet. Dat is geen taak, dat is wat het is.”

Het geloof is een terugkerend thema in de Nederlandse letteren. Soms rekent de schrijver ermee af, zoals Maarten ‘t Hart, soms ook niet, zoals jij en Jan Siebelink.

“Wel logisch toch, dat je er als schrijver iets mee doet. Het geloof is ongrijpbaar, het speelt zich volledig af in het hoofd, net als literatuur een wereld oproept die alleen in het hoofd van de schrijver en de lezers bestaat. Literatuur bedrijven is dan ook religieuze activiteit.

Bij mij is het niet een afrekening en ook niet géén afrekening. Het zijn onoplosbare tegenstrijdigheden waar ik grip op probeer te krijgen. Als alles al duidelijk was, zou er geen boek zijn gekomen. Literatuur is per definitie een uiting van complexiteit.”

Vecht Ina, met haar streng gereformeerde opvoeding, tegen zichzelf of tegen haar achtergrond?

“Ze vecht niet zozeer tegen haar geloof. Want ze voelt zich echt een groot zondaar, ze heeft die theologie helemaal verinnerlijkt. Als je je zondig of schuldig voelt kun je altijd wel redenen vinden die daartoe aanleiding geven. In haar geval is dat het auto-ongeluk van haar ouders. De schuld die ze daarover voelt, wordt bepalend voor haar zelfbeeld, ook in haar latere leven.

Daar komt bij: bij bevindelijk-gereformeerden mag ambitie alleen over het hiernamaals gaan. Maatschappelijk ambitie is nog een beetje wennen. Dit boek gaat ook over je plek kennen, niet te snel denken dat iets je toekomt. Ina heeft niet van huis uit meegekregen: Dit kan jij.”

Zoals de meeste vrouwen uit reformatorische milieus dat niet hebben meegekregen.

“Voor vrouwen in het algemeen geldt dat vaak al, voor klasse-migranten ook. Ina is vrouw, sociale stijger én refo. Bij één faux-pas denken ze: waarom dacht ik ook dat ik recht had op die plek?”

Is de weg die Ina bewandelt vergelijkbaar met jouw weg?

“Op sommige punten. Ik ben pas op mijn dertigste gedebuteerd. Dat heeft te maken met de tijd die ik nodig had om de wereld buiten de refozuil te leren kennen. De kennis die ik bezat, sloot niet echt aan bij die van mijn studiegenoten, destijds. Dat geeft een vaag onzeker gevoel. Dan ga je je afvragen wat woorden betekenen. Je concentreert je op de taal. Maar dat ik ook schrijver zou kunnen worden, dat kwam gewoon niet in me op.”

Voelt die andere wereld inmiddels vertrouwd?

“Ach. Ik bouw nu zelf mijn werelden. En daarin heb ik het voor het zeggen.”