Eerste pagina’s

1

Ik heb zin om iets geks te doen en het wordt het huren van een Greenwheels-auto om mee naar Nieuw-Sloten te rijden.
Erik vindt het ook humor. Hij ziet Freddie z’n gezicht al.
‘Nemen we een fles wijn mee?’ vraagt hij.
‘Wijn bij beschuit met muisjes?’
‘Ik ga toch geen beschuit met muisjes eten. Freddie kent mij, die gaat mij geen beschuit met muisjes voorzetten. Die heeft netjes een lasagne in de oven staan, of gewoon burrito’s met extra gehakt.’
Ik vind het lief, zoals hij weet hoe Freddie denkt.
Erik zet de radio aan om naar de fileberichten te luisteren.
‘Heb je ook zo’n visitegevoel?’ vraag ik. ‘Weet je zéker dat we te eten krijgen?’
‘Natuurlijk,’ zegt Erik. Freddie kennende zou die hem niet om halfacht bestellen als dat niet voor het eten was.
‘Ons,’ zeg ik. ‘Hij heeft mij ook uitgenodigd.’
‘Ja natuurlijk. Ik bedoel alleen maar: jou kent hij niet, althans niet zoals hij mij kent.’
Dat is zo. Zij kennen elkaar al sinds de brugklas. Alle nieuwe dingen hebben ze onafscheidelijk beleefd. Ik ken Freddie nog maar sinds Erik ook wel eens iets met mij beleeft.
‘Als je liever alleen gaat,’ zeg ik, ‘dan is dat ook goed. Dan ga ik een film kijken op mijn nieuwe plasmascherm. Dat vind ik toevallig helemaal niet erg.’
‘Hé!’ zegt Erik. ‘Hou het een beetje leuk, wil je.’
Gisteren had ik ook al zo’n zin om iets geks te doen. In de winkel was het opeens een plasmascherm dat mijn fantasie prikkelde en een halfuur later had ik de fantasie vervangen door plasma. Ook anno 2010 beleef ik de fijnste geluksmomentjes nog altijd op een ouderwetse koopavond. Afrekenen en dan hup, de doos mee op de bagagedrager.

Volgens de site staat de dichtstbijzijnde Greenwheels-auto vlak bij het Scheepvaartmuseum. Maar het is een Peugeot 107 en daar kan Erik bij Freddie niet mee aankomen, want Freddie zelf heeft alles zo goed voor mekaar. We reserveren de 207 aan de overkant van de Nieuwe Vaart. Daar moeten we Nieuw-Sloten wel mee kunnen halen.
‘Het is Nieuw-Sloten maar.’ Ik neem het laatste trekje van mijn sigaret en trap de peuk uit op de grond.
Erik vertrouwt het niet. Wat wil ik daarmee zeggen? Hij houdt de kaart tegen de kaartlezer en het portier springt open. Ik leg de fles rode wijn op de achterbank bij de twee Facebook- blauwe kruippakjes in geschenkverpakking.
‘Wilt u een geschenkverpakking?’ had de vrouw in de winkel gevraagd. ‘Of is het voor uzelf?’
We rijden richting de ring. Zelfs Erik, die toch al z’n hele leven in Amsterdam woont, is nog nooit in Nieuw-Sloten geweest.
We draaien de ramen open. De wind is fris, maar de zon is nog lekker warm.
De radio meldt een file bij Best-West.
Ik heb eraan gedacht om een cd mee te nemen. We zijn op het moment helemaal into de Fleet Foxes. Ik was het het eerst, en daarna heeft het ook bij Erik iets in gang gezet. Hij neuriet de liedjes mee. Ik sla de maat op zijn knie.

‘Je touchscreen zuigt,’ zeg ik. ‘Ik krijg de kaart niet groter.’ Van mijn eigen telefoon is de batterij plat.
‘Een beetje weg van de flats,’ zeg ik even later. ‘Ze wonen toch niet in zo’n satellietschotelbuurt? Vraag het anders even.’
‘Nieuw-Sloten? Nee, hier heet het De Aker.’
Die blikken. Alsof we Amerikanen zijn die Amsterdam verwarren met Kopenhagen. Ik kijk op mijn telefoon, het is al tien over acht.
‘Dit méén je niet,’ zeg ik, als we na lang zoeken en vragen Freddies straat in rijden.
De huizen zijn van kanariegele baksteen. Een deel van de straat heeft drie woonlagen. Op het geel is zonder te kijken of het mooi staat nog een verdieping van grijs beton gezet. Het huis van Freddie en Caro heeft dat ook.
Erik draait zwijgend een van de parkeervakken in. Hij is erop voorbereid alles van Freddie mooi te vinden, tot en met het kanariegeel. Misschien ziet hij de lelijkheid er niet van in. Als je het niet ziet, word je er ook niet door in verlegenheid gebracht.
‘Makkelijk parkeren, hè,’ roept Freddie glunderend vanuit de deuropening. Hij vindt het volkomen vanzelfsprekend dat we met de auto zijn.
Hij trommelt met zijn vingers op het deurkozijn. Aan zijn voeten zitten sloffen die je ook klompen kan noemen. Ze zitten tussen klompen en sloffen in.
‘Zie je dat huis daar met die Golf voor de deur?’ Hij laat zijn stem zakken en wacht tot we een paar stappen dichterbij zijn.
We volgen zijn wijsvinger naar de overkant.
‘Daar zit een parenclub,’ fluistert hij. ‘Ik heb ze in het snotje. Zeg maar niet tegen Caro. Ze doet al een beetje jaloers.’
Ik had wel een tientje willen geven voor die blik. Je hoopt van jezelf dat je nooit zo zal kijken. Je hoopt het, maar voor hetzelfde geld hoort het bij een fase.
Freddie en Erik slaan elkaar op de schouders. Ze staan nu allebei een drempel hoger dan ik. Zo kunnen ze vanuit de hoogte op mij neerkijken. Ik ga op mijn tenen staan en kus Freddie vluchtig, ik ken hem tenslotte niet zoals Erik hem kent. Maar híj drukt zijn lippen warm tegen mijn wangen. Ik voel een golf van sympathie door me stromen. Freddie is oké.
‘Caro is binnen,’ zegt Freddie.
Op de drempel neem ik nog even een diepe teug lucht. Ik hou niet zo van de geur van andermans huizen.
Binnen zijn de gordijnen halfdicht. We staren een tijdje in het rond om wat te wennen aan de bijna sacrale schemer die er hangt.
‘Wauw!’ zeggen we. Ze hebben er echt wat van gemaakt. Een houten vloer, een lange tafel met op de hoek een aankleedkussen, lichtgele crèmetubes, een stapeltje pampers. Er zijn twee grote gatenplanten, aan de muur hangt ingelijste kunst. Eén wand is tot de nok gevuld met boeken. In zijn vrije tijd pakt Freddie graag een keer een goed boek. Op de onderste rij staan vijfentwintig delen Winkler Prins.
En dan, achter ons, in de beige zithoek, bij het zachtgele schijnsel van een schemerlampje, zit vol glans en glimlach Caro met een baby.
Ik had graag nog wat naar haar gekeken, maar ze legt het kind voorzichtig naast zich neer op de bank, het spuugdoekje erbovenop, en staat op om ons te begroeten. Ze drukt Erik tegen zich aan en zoent hem alsof hij behouden terug is gekeerd van de grote vaart.
Freddie is een beetje pappig geworden, maar Caro ziet er heel gezond en blozend uit. Ze heeft een vreemd luchtje bij zich. Iets zuurs. Misschien wast ze zich niet meer zo goed. Misschien heeft ze andere dingen aan haar hoofd dan zichzelf af te gaan zitten sponzen.
Ze hebben wel twee badkamers, zeggen ze. Eentje boven en een op de tweede verdieping. De tweede verdieping staat nog helemaal leeg. Ze hebben er ook nog niet echt een plan voor. Misschien een atelier voor Caro, maar voorlopig komt ze nog nergens aan toe.
Caro vindt het tijd dat we aandacht geven aan de baby’s. Een ligt er boven in zijn bedje, de andere wil niet slapen. De baby die niet wil slapen kijkt me uitdrukkingloos aan. Hij heeft glimmende vetpukkeltjes, maar verder ziet hij er goed uit. Hij heeft het voorhoofd van Caro, wat een gelukje is. Freddies voorhoofd heeft niet de gangbare halfronde vorm van een markies, maar die van een plat zonnescherm, zoals bij prehistorische mensen. Deze baby heeft netjes een markiesje.
‘Ziet er goed uit,’ zegt Erik. ‘Goed gedaan.’
‘Ja, hè?’ zegt Caro.
‘Is die andere net zo?’ vraag ik.
Dat is niet zo. Ze zijn niet eeneiig. De ouders vinden dat maar beter ook. Je moet ze als twee individuen zien en niet als meer van hetzelfde.

We moeten Freddie z’n schuurtje bekijken. Althans, Erik moet het zien, maar ik wil niet bij Caro en de baby blijven. Alle frisse lucht die ik binnenkrijg is meegenomen.
Freddie schuift een grote glazen deur opzij en we lopen zo van de kamer de tuin in. Er staat een schommelbank.
Het is echt een mooie avond. De eerste avond van het jaar dat je buiten kan zitten, als je een vest aantrekt.
In de verte klinken kinderstemmen. Hoog en schril. Een vrouw roept: ‘Joachim, doe wat mama zegt.’
Ik kijk over de schouderhoge schutting. De buren hebben ook een schommelbank. Er zit een vrouw in. Haar lange benen bungelen. Ze leest een vrouwenblad.
Moeten de mensen hier niet eten? Wanneer eten ze?

[…]